Op deze blog-site zullen weinig of geen foto's verschijnen, voorlopig niet. Hier komen alleen de teksten die ik schrijf of heb geschreven voor de 'covklanken'. Soms aangepast, soms onveranderd. Ook is het een 'try out' voor ander schrijfwerk.

maandag 30 januari 2012

Foto's


Voor onze klanten maak ik zo nu en dan foto’s van bloemen of planten. In een studio, met de juiste belichting .  Dit doe ik niet alleen. Collega Antoinette doet dat ook. Net wie er tijd voor heeft. Ze was een dag afwezig en er moest met spoed een foto worden gemaakt van een Phalaenopsis. Niet moeilijk en zo gepiept. Voor de foto naar de klanten gaat slaan we die even op in een map. Die map staat op een schijf in de computer waar Antoinette en ik allebei in kunnen.  
Onvindbaar! De hele schijf had ik inmiddels doorgespit, nergens de map van die klant te vinden. Op zich ben ik een zeer geduldig mens. Toch begon ik op dat moment Antoinette andere namen te geven. En passant meteen ook alle vrouwen daar in meeslepend. Hilariteit bij mijn collega’s. De geduldige en rustige Martin was aan het mopperen.  Ik gaf het op.  Maakte een nieuwe map aan en sloeg daar de foto’s in op. Als ze terug was dan werd dit toch wel het eerste onderwerp wat ik zou aansnijden.
In mijn zoektocht op die eerder genoemde schijf stuitte ik op een foto die niet tussen de bloeiende kamerplanten thuishoorde.  Een foto met collega Arie, een bekende Nederlander en ikzelf.  Soms doet of zegt een mens iets, wat niet in de lijn der verwachtingen ligt. Een andere collega van mij heeft deze wereldberoemde man (in Nederland) als schoonzoon. Dat wist het hele bedrijf. Het gaat om een zanger van een soort muziek waar ik niet gek op ben. Het zal mensen die mij kennen niet verbazen.
Hij bezocht ons bedrijf om geld op te halen voor een goed doel. Geld wat door het personeel in de loop van een aantal jaren was gespaard door inzameling van oud plastic en karton. Een behoorlijk bedrag en de zanger was ambassadeur van dit doel. Dus, onze collega liet zijn schoonzoon op een middag naar Aalsmeer komen om de cheque in ontvangst te nemen. Iedereen wilde op de foto met hem. Arie en ik stonden ergens achteraan. Ik hoefde niet zo nodig op de foto. Ook Arie hield zich koest. Arie en ik hebben iets gemeen: we zingen allebei in een koor.  Iets wat de meeste collega’s wel eens hebben gehoord. Waar ze vandaan kwam weet ik niet maar ineens stond Antoinette achter ons. “Kom op, jullie ook op de foto!” Ze duwde ons naar voren en er was geen ontkomen aan.

De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat Frans spontaan en zeer geïnteresseerd was in de personen naast hem. Waar zongen wij? Wat zongen wij? In hetzelfde koor?  Wat voor werk deden we? Hij wilde van alles weten.
Als jongste bas, of zelfs de jongste van de mannen, vond een kleine 35 jaar geleden de secretaresse mevrouw Vellema, dat ik na afloop van het concert bloemen moest uitdelen. Zij vond het leuk wanneer jonge mensen dat deden. Ik voelde me vereerd. Bij mijn eerste concert was het nog niet zover. Maar bij het tweede concert mocht ik de bloemen geven aan een soliste.  Weer wat later,bij ‘die Schöpfung’ was er maar een dame bij de solisten, een sopraan. En wat voor sopraan: de poolse Elzbieta Szmytka!
Langs mijn neus weg, en min of meer als grap vroeg ik aan Pieter-Jan of ik bij het geven van de bloemen een zoen mocht geven. Hij keek me aan op een manier alsof ik een viool in stukken had geslagen. Deze vrouw een zoen geven was toch niet de bedoeling en dat gaf hij me duidelijk te verstaan. Het zou ook niet echt in mijn hoofd opkomen om dat ooit te proberen. Ik vertelde het een aantal bassen, zoals Piet Smit en Wim van Zeggeren. Ze zagen er de humor wel van in maar inderdaad, zoiets was ‘not done’.
Het werd een prachtig concert overigens. En Elzbieta zong de sterren van de hemel.  Bij het applaus aan het eind snelde  ik naar de bloemenhoek, liep quasi rustig en geduldig naar het podium en gaf haar de bloemen. Ik probeerde nog iets te zeggen maar, zij boog naar voren en zoende mij!  Ik keek vluchtig naar rechts, naar Pieter-Jan maar hij keek vrij neutraal de kerk in. (of onderdrukte hij een lach)  Op weg naar de zijkant keek ik ook even naar de bassen en zag breeduit lachende gezichten van Wim en Piet.
Er is een foto van gemaakt. Dat weet ik zeker. Ik weet ook door wie. Maar die foto heb ik nooit gezien. En die foto zou me veel meer waard zijn dan degene die ik op mijn werk vond!

maandag 14 november 2011

Stien

Onlangs was ze weer even op de televisie; Cristina Deutekom.
Gastheer Tijl Beckand was blij met haar komst en meldde meteen dat Nederland te weinig haar diva's eerde.
Daar ben ik het roerend mee eens. Er zijn opnamen genoeg van buitenlandse vocale solisten te vinden. Maar waar blijven opnames met Heleen Koele, Margareth Beunders of Hans de Vries...
Van de oudere generatie is nog wel eens iets te vinden, maar karig blijft het wel:
Aafje Heynis, Erna Spoorenberg en Gré Brouwenstijn zijn zomaar drie namen waarvan velen niet meer weten wat zij ooit deden. Onbelangrijk in de internationale muziekwereld waren zij in hun tijd zeker niet.

Aafje Heynis heb ik nog net even mogen meemaken als soliste bij ons koor. Ze zong de altpartij in de 'Messiah', met Robert Holl, Nelly van der Spek en Zeeger Vandersteene aan haar zijde. Overigens ook niet zomaar een stel solisten.

Cristina Deutekom kende ik destijds alleen van radio en tv. Een goed beeld had ik daardoor niet van haar. Eigenlijk vond ik haar stem maar niets. Scherp en irritant. Toch, een keer stond er in de krant een aankondiging van een Verdi opera met een volledige Nederlandse solisten cast. Ook Cristina Deutekom zat daar bij. Ik besloot toch maar eens naar de opera te gaan. In Amsterdam, toen nog in de stadsschouwburg. Het reserveren van een kaartje, nog gewoon per telefoon, viel niet mee. Bijna elke voorstelling was uitverkocht. "dat komt door de faam van Cristina Deutekom" vertelde de kaartverkoper me aan de telefoon. Er was uiteindelijk alleen nog maar plaats op een maandagavond. Niet echt een avond om op te verheugen. Toch deed ik het wel.

Het werd een onvergetelijke avond. Men zegt dat la Deutekom niet echt een goed actrice was. Dat zou kunnen maar dat maakte ze ruimschoots goed met haar stem. Ik zat aan mijn stoel genageld. Bij concerten en oratoria is een applaus  tussendoor niet gebruikelijk. In die jaren nog, was een applaus bij de passionen zelfs ongewenst! Daar, na de aria's een joelend publiek en zo nu en dan staande ovaties. Bravo geroep. Heerlijk!

Zoals veel opera's eindigde deze met een sterfscène. Een groot drama op dat toneel. Vlak na  het sterven van de hoofdrol, tja we waren tenslotte in Mokum, hoorden we, dwars door de stilte die was gevallen, buiten sirenes van ambulances loeien. Lachwekkend. Maar desondanks, een laaiend enthousiast publiek. Zeker ook voor de prima donna van de avond: la Deutekom!

Deze prima donna heb ik een jaar later nog in een Puccini opera mogen zien en horen. Nog steeds in de stadsschouwburg. Ze speelde in Turandot. Hoe zong ze? Geweldig. Tot dat ze opkwam miste de ik iets. Schwung en spanning ontbraken. Eenmaal op het toneel, tilde ze de het geheel op. Kreeg het glans. Geen actrice? Ik merkte het niet. Het publiek toen ook niet.

Het jaar erna kon ik weer geen kaartje bemachtigen voor een opera met Cristina erbij. Uitverkocht. Balen.
Tot ik in de krant las dat Cristina moest afhaken. Ze zou niet meer aan opera's meedoen vanwege hartklachten.

Haar aanwezigheid in het programma 'de tiende van Tijl' deed mij wat. Inderdaad, Nederland mag haar diva's best wel eren en er trots op zijn.


vrijdag 4 november 2011

Een roos


De buurvrouw is verliefd. Met een stralende lach stond ze op een avond dit voorjaar haar stoepje schoon te vegen. Dat lachen doet ze wel vaker, maar dit zag er anders uit. Ik liep naar haar toe. “Lisette wat heb je een prachtige Ceanothus”  De lach verdween en trok de uiteinden van haar vestje bij elkaar. “Nee..” ik wees op de mooie bloeiende struik bij haar voordeur.  “Ik heb het daarover, geweldig, zo zie je ze zelden!”  Ze begon weer te lachen. “Noem jij dat zo?” 
Andere dan de Latijnse namen van planten en bloemen ken ik vaak niet. Dat heeft met mijn werk te maken. Het gebruiken van Nederlandse en niet de internationaal bekende namen kan voor verwarring of onbegrip zorgen.  Vlijtigliesje, Kaapsviooltje of  Afrikaantje zeggen mijn collega's en ik dus nooit. Kwekers en veredelaars geven nieuwe producten vaak naast de Latijnse naam wel  een tweede of derde naam ,die moet blijven hangen en voor de nodige publiciteit kan zorgen. Er zijn bijvoorbeeld Anthuriums naar onze jongste prinsessen vernoemd. Ik ken een Gerbera  met als toegevoegde naam 'Toscane Yellow' en een Guzmania ‘Bolero’. De Spathiphyllum veredelaars waren kennelijk muziekliefhebbers. Achter deze plantennaam vinden we  'Bellini', 'Chopin', 'Verdi' en 'Vivaldi'. 
Collega Bert en ik lopen zo’n drie keer per week de voorraad door. We willen voorkomen dat planten aan de aandacht ontsnappen en te lang blijven staan. In de hoek van de hal staat een koelcel met daarin producten die door de koelte daar niet te snel in bloei schieten. We liepen er rond en mijn oog viel op een partij tuinrozen. Engelse tuinrozen. Op een van de etiketten zag ik : Rosa ‘Benjamin Britten’.  Ik reageerde enthousiast. “Hé Britten!” Bert keek me niet begrijpend aan. “Ja die staan er al een week, ze moeten weg”. Benjamin Britten zei hem dus niets. Nee,  Bert  luistert normaal naar Pink Floyd  of Golden Earring. Klassieke muziek is voor hem onbekend. De namen Mozart en Beethoven kent hij, en misschien Bach, maar daar houdt het dan wel mee op. Benjamin Britten is ook niet echt een componist waar iedereen zich iets bij kan voorstellen. 
In die zelfde week ging ik bij een goede vriend op bezoek. Hij had niet zo lang daarvoor een dierbare verloren en was om die reden naar het herdenkingsconcert op Westerveld gegaan. Op tafel lag het programmaboekje. We dronken zwijgend een kop koffie. Ik knikte naar het boekje. Ruud was onder de indruk geweest. Er was erg mooi gesproken door Jan Terlouw en er was muziek. “ Dat eerste stuk was mooi. Maar dat tweede…” Ik schoof het boekje naar me toe. Het eerst werk was het vioolconcert van Mendelssohn. Ja, natuurlijk is dat mooi. Ik ken niet alle vioolconcerten maar dit is voor mij gewoon hét vioolconcert. Het tweede werk was het ‘Sinfonia da Requiem’ van Benjamin Britten.  Ruud keek me hoofdschuddend aan.  Mendelssohn, ja prachtig, maar  Britten: “ik ben weggelopen.”
Ik ken het werk. Weglopen zou ik niet zo snel doen maar ik kan me voorstellen dat deze muziek niet bij iedereen goed  aankomt. Er waren op Westerveld  meer  mensen die zich uit de voeten hadden gemaakt. Thuis gekomen kon ik het niet laten even dat werk uit de kast te halen. Mij pakt het wel. Zijn ‘War Requiem’ook trouwens!
Die rozenverdelaars. Hoe  komen die er nou bij om een roos naar Britten te vernoemen? Overigens is het een prachtige roos; ‘red with a touch of orange’. Niet een roos om bij weg te lopen. Van deze zelfde rozenfamilie vond ik nog: ‘Anne Boleyn’, ‘Falstaff’, ‘Jaqueline du Pré’ en ‘Mme Butterfly’.  Die Engelsen weten wel wat voor namen ze uitzoeken! 
Lisette is trouwens nog steeds verliefd. Smoorverliefd. Wat later sprak ik haar weer. En weer bij de voordeur. Hoe heet hij Lisette? Ze straalde meteen. “Aad”.  Ik wees naar de inmiddels uitgebloeide struik. “Nee, die!” 

dinsdag 30 augustus 2011

Herrieschoppers

Cees en ik roerden in onze koffie en probeerden, alsof we het hadden afgesproken, niet al te opvallend naar haar te kijken.  Alles wat er aan een vrouw mooi kon zijn had zij meegekregen. Prachtig blond haar, heldere blauwe ogen, hagelwitte tanden, een mooi figuur en, ze was ook nog eens smaakvol gekleed. Ze was niet alleen. Al snel kwam er een man met  koffie voor haar aangelopen. Even later stonden en nog wat meer mannen om haar heen. Ze keek even veelbetekenend in het rond. Uiteraard had ze alle aandacht.
“Het orkest was te hard.”
Cees en ik dropen af en slenterden naar een andere hoek van de zaal. Dit viel nou weer tegen. Ze kon dan wel mooi zijn, we wilden niet onze avond laten bederven. Decroos en Dvorák waren een goede combinatie gebleken. Decroos had gespeeld of het stuk voor hem was geschreven. Het orkest had daar beslist goed op gereageerd geweldig gespeeld. Cees en ik  hadden op het puntje van de stoel gezeten. Nergens hadden we het idee gehad dat het orkest hem overspeelde. O ja, er zaten wat gedeelten in waar het koper flink te keer was gegaan. Maar overdone was het zeker niet. Nu moet ik toegeven dat Cees en ik wat bevooroordeeld waren. Cees speelde  tuba en ik speelde destijds trombone. Maar juist daardoor  waren we kritische luisteraars.
Tijdens mijn eerste jaren in het koor voerden we een keer het Stabat Mater uit, ook van Dvorák. In de krant verscheen een lovende recensie. Prompt verscheen er ook een ingezonden brief. Een luisteraar vond dat het orkest veel te hard had gespeeld. De recensent had er weer een antwoord op.  Zijn weerwoord kwam er op neer dat hij de dirigent goed in staat achtte in te grijpen wanneer een orkest niet zou spelen zoals hij dat zou hebben gewild. Dat antwoord kan ik onderschrijven. 
Ik kan me herinneren dat hij voor een trombonist eens na een generale een ander liet terugkomen.

Wanneer speelt trouwens een orkest te hard?  Wanneer Dvorák of Verdi ergens alle blazers laat mee tetteren en er ook nog eens het slagwerk bij haalt doen zij dat  niet omdat het er op het podium leuk uitziet.  Het heeft een bedoeling. Het is nooit zo dat trombones en trompetten voortdurend aan het blazen zijn. Integendeel. Ze hebben vaak heel wat rusten af te tellen tijdens een repetitie of concert. Bij een werk als ‘Szenen aus Goethe’s Faust’ zag en hoorde ik dat tijdens een bas-solo een trombonist met een buitengewoon mooie toon, en fluisterzacht een paar nootjes mee te spelen had. Op een cd hoor je dit bijna niet, in de zaal, als je goed oplet, wel. In deze discussie zullen de koperblazers over het algemeen wel de gebeten hond blijven.  Geef een willekeurig persoon een trompet of trombone en laat hem even iets proberen. Negen van de tien keer komt er dan een fortissimo toon uit. Zacht leren blazen vergt veel studie. Samen musiceren trouwens ook. Maar in goede orkesten, en onder leiding van goede dirigenten, spelen musici die geïnspireerd zijn. Zij gaan ervoor om iets goeds neer te zetten. 

Enkele weken geleden zat ik naar een uitvoering te kijken, van de derde symfonie van Gustav Mahler. Door een festivalorkest, onder leiding van Claudio Abbado. Ik zat met rode oren te luisteren. Er zit een trombone solo in dat werk. En wat voor een! “Een zware partij” had een trombonist me eens verteld. De man daar speelde alsof hij er geen moeite voor hoefde te doen. Hier was duidelijk op gestudeerd. Doordat hij schijnbaar onbewogen speelde kon ik bijna niet bevatten dat dit zo’n moeilijke solo was. Het venijn zat hem in de staart. Tijdens het laatste gedeelte is er een koraal met een hoofdrol voor de trombones en de tuba. Over de bekers waren zwarte doeken gehangen. Er werd, in het hogere register heel zacht en adembenemend mooi gespeeld. Hoog en zacht, dat is nu net het struikelblok voor  trombones. De trompettisten haakten in, ook al zo hoog, en ook zó mooi. Zijn dat nou die herrieschoppers?

Na de pauze stond er een werk van Stravinsky op het programma. Cees en ik zagen de mooie jonge vrouw verwachtingsvol de zaal binnen komen. We konden het niet laten even te grinniken.



maandag 22 augustus 2011

Een stille avond

Hij keek haar nog even na terwijl ze de straat uitliep. Bij de bocht draaide ze zich om en zwaaide. Haar bewegingen en vooral haar gitzwarte haar deden hem aan Anja denken. Het zwarte haar leek wel een blauwe gloed te hebben. Bijna schilderachtig. 
Het was een avond zoals ieder mens die graag heeft. Windstil; een aangename temperatuur. Ook op straat was het stil. Freek vond het een mooi moment om nog even een uurtje op de veranda te gaan zitten. Wendy was net weg. De beide buren op vakantie. Niemand die hem zou komen storen.  Genieten van de rust, op zijn veranda, met een pot thee.

Op weg naar de keuken liep hij langs de kast met zijn cd verzameling. Zijn oog viel op die ene symfonie.  Zou het hem gegund zijn?  Een uurtje.  Het was het proberen waard. Hij liet de thee voor wat het was en pakte zijn discman.  Of de duvel er mee speelde. Iedere keer wanneer Freek naar deze symfonie luisterde werd het genieten onderbroken. Door de telefoon. Iemand aan de deur, of ander storend kabaal in de buurt. Juist bij dat laatste, hemelse, gedeelte. Alleen dat gedeelte beluisteren was voor hem geen optie. Het was voor hem een logisch gevolg op het voorafgaande. Los, boette het in aan schoonheid. Hij kende ook maar weinig werken waarin een sopraan zo mooi opging in het orkest. Alsof het een instrument uit het orkest was. Anja had ook een prachtige sopraan gehad. Wendy ook, maar die wilde er niets over horen. Te pijnlijk. Begrijpelijk.

Freek genoot. Het moest lukken vanavond. Onafgebroken luisteren naar dit werk. Vanaf de veranda keek hij naar zijn tuin en naar de mooie roze gloed in de lucht. Niets ontging hem. Wisselingen in sfeer, de kleur van de houtblazers, de viool solo. Hij miste Anja. Ook zij hield van dit werk. Zelfs in haar meest ellendige periode kalmeerde ze van dit werk. Hoe tragisch het derde deel ook klonk, hoe bedompt men het zou kunnen vinden. Het gaf Anja rust en ontspanning.
Aan de overkant van de weg zag Freek langzaam Erna voorbij sloffen. Wat liep ze slecht. Ze knikte naar Freek. Even de duim onhoog vond Freek genoeg als antwoord. Nu geen gesprek. Niet nu. Nog voor de pauken aan het einde van deel drie zag Freek de overbuurman aankomen. Met transistorradio. Henk ging het gras maaien. De radio ging aan en de volume ging voluit. Het geluid vervormde. De motormaaier aan.

Nijdig sloeg Freek zijn deur dicht. Draaide de boel op slot en liep zijn tuin uit de straat op. Hij kon er niets van zeggen. Dat gras moet wel eens gemaaid worden. Maar weer geen deel vier! Hij liep naar de dijk aan het eind van de straat en langzaamaan verstomde het geluid van het grasmaaien en de ondefinieerbare herrie uit de transistor. Daar achter de dijk. Daar was hij echt alleen. Hij stak de dijk over en liep een flink stuk langs het meer richting het volgende dorp.
Bij een bankje keek hij goed om zich heen. Niemand te zien. In geen velden of wegen. Vanaf het bankje keek hij over het water. Het schemerde.  De discman had hij meegenomen. De eerste twee delen liet hij maar voor wat ze waren. Hij toetste track drie in, en het langzame gedeelte begon weer.  Links zag hij niemand. Rechts; Erna! Freek deed of hij haar niet zag. Niet nu...
Geen afleiding. De lucht was stil, zelfs het water was stil. Als een spiegel. Zonder het zelf te merken sloot hij de ogen. Hij luisterde en tegelijkertijd kwamen er herinneringen aan Anja bij hem naar boven. Dat zwarte haar met die blauwe gloed. Die mooie sopraanstem. Ze zou het hebben gekund. Toch zong ze nooit mee maar luisterde altijd muisstil naar het laatste gedeelte van dit werk.
De klarinet was begonnen. Deel vier. Eindelijk. Freek had nog steeds de ogen gesloten.  Het was hem gegund.

“Meneer, hallo! Alles goed met u?”
Freek kwam met een schok overeind. Voor hem stond een agent. Een paar passen achter hem zijn collega.
“Iemand was ongerust over u. Is alles in orde?”
Aan het eind van de dijk zag hij Erna weg sjokken. Ze keek nog even om.


zondag 21 augustus 2011

Een klein koor

Nog niet zo erg lang geleden, in mijn tienertijd, werkte ik twee zomers in Frankrijk. Mijn ouders hadden destijds daar vrienden wonen en mij leek het geweldig om daar wat vakantiewerk te doen. De eerste zomer bleef ik er achter na een korte vakantie. Het was een idee van de vader van het franse gezin. Hij kon wel wat hulp gebruiken en ik kon zo wat Frans leren. Ik ging er gretig op in. Deze vader was een Nederlander die kort na de oorlog naar Frankrijk was gegaan. Hij ontmoette er een Zwitserse vrouw en is daar toen voorgoed gebleven. In het gezin werd alleen Frans gesproken en inderdaad heb ik er het Frans aardig kunnen oppikken. Het was een tuinders gezin. Men verbouwde diverse groenten, maar vooral tomaten en komkommers. Het werk werd vooral in de ochtenduren gedaan. Er werd vroeg begonnen, zo rond zes uur. 
Ik woonde in bij het gezin  en deed ook mee aan het gezinsleven. Aan tafel, en ik vond dat heel bijzonder, werd er voor het eten gezongen. Mij ouders hadden de kerk achter zich gelaten. Ik kan me niet herinneren dat er ooit door mijn vader een gebed is opgezegd. Maar daar in Frankrijk was hun gebed een lied. Drie jaar geleden ben ik er weer eens geweest. De tafel was gedekt en ja hoor, de ogen gingen dicht en precies dezelfde liederen werden weer gezongen. Kippenvel.
Het gezin ging er naar de Eglise reformée. Dit is niet echt gangbaar in het zuiden van Frankrijk. Het overgrote gedeelte is er Rooms Katholiek. De dominee had er dan ook meerdere kerken bij te houden. Het werd me nooit gevraagd, maar het was vanzelfsprekend dat ik op zondagochtend mee ging naar de dienst. Die was dus niet iedere zondag in het dorp zelf maar de diensten werden ook in kerken in wat verder weg gelegen dorpen gegeven. Het eerste jaar dat ik er werkte vond ik het een langdradig gedoe. De dominee was ver in de zeventig en zijn preken duurden voor mijn gevoel akelig lang. Bovendien was mijn Frans toen nog gebrekkig, en de zijne razendsnel. Ik pikte er nauwelijks iets van op. Zijn gebit zat ook nog eens los wat ook voor het nodige oponthoud zorgde. Niet eens voor hilariteit. Men vond het kennelijk normaal. Mij werkte het op de lachspieren. Zijn vrouw was de organiste, met een knotje in het haar en een zwart jurkje aan zat zij achterin de kerk op het harmonium te spelen.
Het tweede jaar, inmiddels ook lid van een koor, werkte ik er een paar weken langer. Dat kon omdat ik eindexamen had gedaan en dus een paar weken langer vakantie had. De dominee was met zijn werk gestopt en er was een jonge levendige man voor in de plaats gekomen. De muziek in de kerk had ook hij aan zijn vrouw overgelaten. Zij had wat jongeren bij elkaar geroepen zo had zij een klein koortje gevormd. Op vrijdagavond werd er gerepeteerd, ook in de zomer. En uiteraard werd er van mijn verwacht dat ik mee zou zingen. Het was een klein koortje van pakweg twaalf jongeren. We repeteerden in de schuur, tussen de lege tomatenkistjes. De dochter des huizes begeleidde ons op een gitaar. Ondanks het kleine aantal koorleden was het leuk om zo te zingen.
In ons koor in Castricum hebben we een korte periode gehad waarin we een relatief klein aantal leden hadden, ongeveer vijfentachtig. Dat is voor een koor als het onze niet groot, maar de balans was goed en we konden evengoed interessante muziek uitvoeren. In die jaren werd ook regelmatig door het bestuur gevraagd naar nieuwe mensen uit te kijken. Enthousiast als ik was nam ik zo eens Christel mee. Een sopraan. Ze vond het geweldig om aan ‘die Schöpfung’ mee te repeteren. Dat zingen was voor haar een ontdekking. 
Christel studeerde in Amsterdam en kwam daar een aan het conservatorium studerende zweed tegen. Niet lang daarna ging ze met haar luit spelende Tommy mee naar Zweden. Jammer voor ons koor, maar ongelijk kon ik haar niet geven. Het zingen liet haar niet los en daar in de buurt van Ystad in het zuiden van Zweden zocht ze een vergelijkbare muzikale afleiding. Het werd een klein koortje van ook niet meer dan twaalf zangers. Dit koor repeteerde ook in een schuur maar dan tussen de hooibalen.  Er werd oude Scandinavische muziek gezongen. Tommy begeleidde hen op zijn luit. Ik heb geen flauw idee wat ik me erbij moet voorstellen maar het klinkt bij voorbaat al idyllisch.
In een klein koor zingen is absoluut niet erg, Als de stemmen in balans zijn kan je goed muziek maken en daar is dan spannend repertoire voor te vinden. Maar, zoals destijds in Castricum, zijn er dan wel werken die we zeker niet op de lessenaar kunnen zetten. Pieter-Jan Olthoff heeft om die reden het Requiem van Verdi eens afgeraden. Het koor zou dan, met het orkest wat er later bijkomt, te klein zijn geweest. Kijk, dat is nou wel jammer. Oude muziek, of werken met een kleinere orkestbezetting: prima. Maar met ons koor is het toch, vind ik, geweldig om bijvoorbeeld iets van Dvorák te doen, of Mendelssohn. Ook vraag ik me af, gezien het aantal bassen op dit moment, of de Mattheus-Passion nog voor ons weggelegd is. Bij de Mattheus, gaan we namelijk op in twee koren. Acht bassen, gedeeld door twee…
Het is maar goed dat we samen kunnen en mogen werken met de koren in Bergen en Schagen. Een paar dorpen verder.

zaterdag 20 augustus 2011

Associatie

Er zijn werken die me onherroepelijk doen denken aan een bepaalde periode of een gebeurtenis. Voor mijn gevoel was ik nog maar net lid van het koor, of ik moest een cursus volgen en die was, uiteraard, uitgerekend op de repetitie avond. Wel bijna een jaar! Dat beviel me destijds helemaal niet. Dat zingen vond ik zo leuk, zo interessant. En om dat nou aan de kant te moeten zetten was echt niet aanlokkelijk. De oplossing had ik al snel gevonden. Op maandagavond zou ik gewoon lekker mee gaan zingen in Bergen. Hetzelfde repertoire en ook nog eens bij dezelfde dirigent. Ik viel met mijn neus in de boter. In de roomboter! Bergen had zowel de ‘Johannes-passion’  als de ’Hohe Messe’ in studie genomen.  Beide werken hebben mij nooit meer losgelaten.   Met moeder en dochter Henstra reed ik iedere maandag naar Bergen. Het koor repeteerde destijds in het klooster van de zusters Ursulinen.  Op een avond vroeg ik tijdens de rit terug of er in het koor ook nog nonnen meezongen. Bijna de hele achterste rij alten bleek uit het klooster te komen. Ik had ze niet als kloosterlingen herkend. Zij droegen al lang geen herkenbare kleding meer maar liepen in gewone jurken; zuster Trees, zuster Gerárd, zuster Paulia, zuster Arnolda bij de alten en verderop ook nog wat sopranen.   Wél had ik ze al goed gehoord. Die stemmen klonken prachtig. Mooie volle stemmen. Nu nog,  als ik naar de ‘Hohe Messe’ luister moet ik bij ‘et incarnatus est’  heel even aan die zusters denken.

Een fiks aantal jaren later werd me een vraag gesteld waar maar één antwoord op mogelijk was. Een volmondig ja! Of ik mee wilde zingen met het schoolkoor van Pieter-Jan, in het concertgebouw. Er werd ook nog eens het ‘Requiem ‘ van Verdi uitgevoerd. Nee zeggen was voor mij onmogelijk.
De generale repetitie was in de sporthal van Schoorl. Op een bloedhete zaterdagmiddag. Prachtig weer voor het strand, de duinen of waar dan ook in de buitenlucht. Maar ik ging zingen. Graag zelfs! Er werd me een plaats gewezen en al snel kwamen er een paar tieners op me af. “wat kom jij hier doen?” “Zeker een idee van Pieter-Jan?”   Mijn opdracht was om te zingen en sowieso op tijd en goed in te zetten.  Ik was er niet tussen gezet om er de schoolmeester uit te hangen. Geen commentaar geven dus.  Tijdens de repetitie moest ik even wennen aan vooral de meisjes stemmen. Bij het ‘Dona eis’ zijn we gewend aan de volwassen stemmen van onze sopranen en alten. Hier klonken meisjes. Dat is wel even wat anders. Het klonk licht, zuiver en adembenemend mooi. De jongens voor mij wisten wel van wanten maar naast me hoorde ik weinig en achter me niets. Dat werd werken geblazen! Ergens tijdens die generale kon ik het niet laten iets tegen die tiener naast me te zeggen. “haal je die d niet?”  “natuurlijk wel!”  “nou zingen dan, toch zonde om het te laten liggen!!”  Het hielp ook nog. Hij zong en ging ook steeds meer meezingen.  Gelukkig werkte het aanstekelijk en hoorde ik steeds meer jongens zingen.
Zo warm als het al was. Ik zou het nog warmer krijgen.  Voor het concert zat ik in de kleedruimte van het concertgebouw tussen twee tieners wat te drinken en een broodje te eten. Mijn buurjongen uit het koor was daar ook even naast me komen zitten. Hij vroeg belangstellend waar ik normaal gesproken zong, wat we zongen en we raakten aardig in gesprek. Tot er op een  geven moment een gordijn werd weggeschoven. Daar kwamen wat meisjes aangelopen in prachtige zwarte jurken. Ik verslikte me bijna. Waar ik ook keek. Lange zwarte jurken. Met een split voor of achter. Hoog gesloten jurkjes, maar ook wat bloter. Met korte mouwen, spaghettibandjes en, geen bandjes.  “Dat vinden ze leuk hoor” zei de jongen naast me. “Hier gaan ze speciaal voor winkelen met hun moeder, of met elkaar”. Dat was duidelijk te zien. Heel duidelijk. Ze straalden erbij. Weer een gordijn opzij en ja hoor, de ene jurk nog mooier dan de ander. Weer die spaghettibandjes en splitten. Ik zuchtte even. “ik zing in Castricum. En daar willen de vrouwen broeken aan. Dat is modern”

In Schagen, dit jaar, viel mijn oog op een dame van het koor. Zij had een zwarte bloes aan, een zwarte maillot en een wel heel korte rokje. (het was eigenlijk alleen de zoom denk ik). Ze zag er mooi uit. Ik zou op straat zeker hebben omgekeken. Misschien nog wel een tweede keer ook. Toch lijkt me dat het voor koorleden stijlvoller is wanneer de kleding iets meer neigt naar een gala-avond. Als we allemaal achter het orkest staan, op het podium, ziet het publiek niet meer hoe lang of kort de jurken zijn. Maar we lopen wel door de concertzaal naar onze plaatsen. Men komt voor de muziek, uiteraard! Toch drukken onze teksten af in hele mooie tekstboekjes. “Want” zo zei onze voorzitter, “we kunnen ook een stencil uitreiken maar het moet wel wat cachet hebben. Men betaald toch een bepaald bedrag voor het concert”.

U raad het al waar ik aan denk wanneer het “Requiem” van Verdi klinkt; zingende tieners, spaghettibandjes, geen bandjes, splitten, geen splitten. En het was warm. Heel warm.