Op deze blog-site zullen weinig of geen foto's verschijnen, voorlopig niet. Hier komen alleen de teksten die ik schrijf of heb geschreven voor de 'covklanken'. Soms aangepast, soms onveranderd. Ook is het een 'try out' voor ander schrijfwerk.

dinsdag 30 augustus 2011

Herrieschoppers

Cees en ik roerden in onze koffie en probeerden, alsof we het hadden afgesproken, niet al te opvallend naar haar te kijken.  Alles wat er aan een vrouw mooi kon zijn had zij meegekregen. Prachtig blond haar, heldere blauwe ogen, hagelwitte tanden, een mooi figuur en, ze was ook nog eens smaakvol gekleed. Ze was niet alleen. Al snel kwam er een man met  koffie voor haar aangelopen. Even later stonden en nog wat meer mannen om haar heen. Ze keek even veelbetekenend in het rond. Uiteraard had ze alle aandacht.
“Het orkest was te hard.”
Cees en ik dropen af en slenterden naar een andere hoek van de zaal. Dit viel nou weer tegen. Ze kon dan wel mooi zijn, we wilden niet onze avond laten bederven. Decroos en Dvorák waren een goede combinatie gebleken. Decroos had gespeeld of het stuk voor hem was geschreven. Het orkest had daar beslist goed op gereageerd geweldig gespeeld. Cees en ik  hadden op het puntje van de stoel gezeten. Nergens hadden we het idee gehad dat het orkest hem overspeelde. O ja, er zaten wat gedeelten in waar het koper flink te keer was gegaan. Maar overdone was het zeker niet. Nu moet ik toegeven dat Cees en ik wat bevooroordeeld waren. Cees speelde  tuba en ik speelde destijds trombone. Maar juist daardoor  waren we kritische luisteraars.
Tijdens mijn eerste jaren in het koor voerden we een keer het Stabat Mater uit, ook van Dvorák. In de krant verscheen een lovende recensie. Prompt verscheen er ook een ingezonden brief. Een luisteraar vond dat het orkest veel te hard had gespeeld. De recensent had er weer een antwoord op.  Zijn weerwoord kwam er op neer dat hij de dirigent goed in staat achtte in te grijpen wanneer een orkest niet zou spelen zoals hij dat zou hebben gewild. Dat antwoord kan ik onderschrijven. 
Ik kan me herinneren dat hij voor een trombonist eens na een generale een ander liet terugkomen.

Wanneer speelt trouwens een orkest te hard?  Wanneer Dvorák of Verdi ergens alle blazers laat mee tetteren en er ook nog eens het slagwerk bij haalt doen zij dat  niet omdat het er op het podium leuk uitziet.  Het heeft een bedoeling. Het is nooit zo dat trombones en trompetten voortdurend aan het blazen zijn. Integendeel. Ze hebben vaak heel wat rusten af te tellen tijdens een repetitie of concert. Bij een werk als ‘Szenen aus Goethe’s Faust’ zag en hoorde ik dat tijdens een bas-solo een trombonist met een buitengewoon mooie toon, en fluisterzacht een paar nootjes mee te spelen had. Op een cd hoor je dit bijna niet, in de zaal, als je goed oplet, wel. In deze discussie zullen de koperblazers over het algemeen wel de gebeten hond blijven.  Geef een willekeurig persoon een trompet of trombone en laat hem even iets proberen. Negen van de tien keer komt er dan een fortissimo toon uit. Zacht leren blazen vergt veel studie. Samen musiceren trouwens ook. Maar in goede orkesten, en onder leiding van goede dirigenten, spelen musici die geïnspireerd zijn. Zij gaan ervoor om iets goeds neer te zetten. 

Enkele weken geleden zat ik naar een uitvoering te kijken, van de derde symfonie van Gustav Mahler. Door een festivalorkest, onder leiding van Claudio Abbado. Ik zat met rode oren te luisteren. Er zit een trombone solo in dat werk. En wat voor een! “Een zware partij” had een trombonist me eens verteld. De man daar speelde alsof hij er geen moeite voor hoefde te doen. Hier was duidelijk op gestudeerd. Doordat hij schijnbaar onbewogen speelde kon ik bijna niet bevatten dat dit zo’n moeilijke solo was. Het venijn zat hem in de staart. Tijdens het laatste gedeelte is er een koraal met een hoofdrol voor de trombones en de tuba. Over de bekers waren zwarte doeken gehangen. Er werd, in het hogere register heel zacht en adembenemend mooi gespeeld. Hoog en zacht, dat is nu net het struikelblok voor  trombones. De trompettisten haakten in, ook al zo hoog, en ook zó mooi. Zijn dat nou die herrieschoppers?

Na de pauze stond er een werk van Stravinsky op het programma. Cees en ik zagen de mooie jonge vrouw verwachtingsvol de zaal binnen komen. We konden het niet laten even te grinniken.



maandag 22 augustus 2011

Een stille avond

Hij keek haar nog even na terwijl ze de straat uitliep. Bij de bocht draaide ze zich om en zwaaide. Haar bewegingen en vooral haar gitzwarte haar deden hem aan Anja denken. Het zwarte haar leek wel een blauwe gloed te hebben. Bijna schilderachtig. 
Het was een avond zoals ieder mens die graag heeft. Windstil; een aangename temperatuur. Ook op straat was het stil. Freek vond het een mooi moment om nog even een uurtje op de veranda te gaan zitten. Wendy was net weg. De beide buren op vakantie. Niemand die hem zou komen storen.  Genieten van de rust, op zijn veranda, met een pot thee.

Op weg naar de keuken liep hij langs de kast met zijn cd verzameling. Zijn oog viel op die ene symfonie.  Zou het hem gegund zijn?  Een uurtje.  Het was het proberen waard. Hij liet de thee voor wat het was en pakte zijn discman.  Of de duvel er mee speelde. Iedere keer wanneer Freek naar deze symfonie luisterde werd het genieten onderbroken. Door de telefoon. Iemand aan de deur, of ander storend kabaal in de buurt. Juist bij dat laatste, hemelse, gedeelte. Alleen dat gedeelte beluisteren was voor hem geen optie. Het was voor hem een logisch gevolg op het voorafgaande. Los, boette het in aan schoonheid. Hij kende ook maar weinig werken waarin een sopraan zo mooi opging in het orkest. Alsof het een instrument uit het orkest was. Anja had ook een prachtige sopraan gehad. Wendy ook, maar die wilde er niets over horen. Te pijnlijk. Begrijpelijk.

Freek genoot. Het moest lukken vanavond. Onafgebroken luisteren naar dit werk. Vanaf de veranda keek hij naar zijn tuin en naar de mooie roze gloed in de lucht. Niets ontging hem. Wisselingen in sfeer, de kleur van de houtblazers, de viool solo. Hij miste Anja. Ook zij hield van dit werk. Zelfs in haar meest ellendige periode kalmeerde ze van dit werk. Hoe tragisch het derde deel ook klonk, hoe bedompt men het zou kunnen vinden. Het gaf Anja rust en ontspanning.
Aan de overkant van de weg zag Freek langzaam Erna voorbij sloffen. Wat liep ze slecht. Ze knikte naar Freek. Even de duim onhoog vond Freek genoeg als antwoord. Nu geen gesprek. Niet nu. Nog voor de pauken aan het einde van deel drie zag Freek de overbuurman aankomen. Met transistorradio. Henk ging het gras maaien. De radio ging aan en de volume ging voluit. Het geluid vervormde. De motormaaier aan.

Nijdig sloeg Freek zijn deur dicht. Draaide de boel op slot en liep zijn tuin uit de straat op. Hij kon er niets van zeggen. Dat gras moet wel eens gemaaid worden. Maar weer geen deel vier! Hij liep naar de dijk aan het eind van de straat en langzaamaan verstomde het geluid van het grasmaaien en de ondefinieerbare herrie uit de transistor. Daar achter de dijk. Daar was hij echt alleen. Hij stak de dijk over en liep een flink stuk langs het meer richting het volgende dorp.
Bij een bankje keek hij goed om zich heen. Niemand te zien. In geen velden of wegen. Vanaf het bankje keek hij over het water. Het schemerde.  De discman had hij meegenomen. De eerste twee delen liet hij maar voor wat ze waren. Hij toetste track drie in, en het langzame gedeelte begon weer.  Links zag hij niemand. Rechts; Erna! Freek deed of hij haar niet zag. Niet nu...
Geen afleiding. De lucht was stil, zelfs het water was stil. Als een spiegel. Zonder het zelf te merken sloot hij de ogen. Hij luisterde en tegelijkertijd kwamen er herinneringen aan Anja bij hem naar boven. Dat zwarte haar met die blauwe gloed. Die mooie sopraanstem. Ze zou het hebben gekund. Toch zong ze nooit mee maar luisterde altijd muisstil naar het laatste gedeelte van dit werk.
De klarinet was begonnen. Deel vier. Eindelijk. Freek had nog steeds de ogen gesloten.  Het was hem gegund.

“Meneer, hallo! Alles goed met u?”
Freek kwam met een schok overeind. Voor hem stond een agent. Een paar passen achter hem zijn collega.
“Iemand was ongerust over u. Is alles in orde?”
Aan het eind van de dijk zag hij Erna weg sjokken. Ze keek nog even om.


zondag 21 augustus 2011

Een klein koor

Nog niet zo erg lang geleden, in mijn tienertijd, werkte ik twee zomers in Frankrijk. Mijn ouders hadden destijds daar vrienden wonen en mij leek het geweldig om daar wat vakantiewerk te doen. De eerste zomer bleef ik er achter na een korte vakantie. Het was een idee van de vader van het franse gezin. Hij kon wel wat hulp gebruiken en ik kon zo wat Frans leren. Ik ging er gretig op in. Deze vader was een Nederlander die kort na de oorlog naar Frankrijk was gegaan. Hij ontmoette er een Zwitserse vrouw en is daar toen voorgoed gebleven. In het gezin werd alleen Frans gesproken en inderdaad heb ik er het Frans aardig kunnen oppikken. Het was een tuinders gezin. Men verbouwde diverse groenten, maar vooral tomaten en komkommers. Het werk werd vooral in de ochtenduren gedaan. Er werd vroeg begonnen, zo rond zes uur. 
Ik woonde in bij het gezin  en deed ook mee aan het gezinsleven. Aan tafel, en ik vond dat heel bijzonder, werd er voor het eten gezongen. Mij ouders hadden de kerk achter zich gelaten. Ik kan me niet herinneren dat er ooit door mijn vader een gebed is opgezegd. Maar daar in Frankrijk was hun gebed een lied. Drie jaar geleden ben ik er weer eens geweest. De tafel was gedekt en ja hoor, de ogen gingen dicht en precies dezelfde liederen werden weer gezongen. Kippenvel.
Het gezin ging er naar de Eglise reformée. Dit is niet echt gangbaar in het zuiden van Frankrijk. Het overgrote gedeelte is er Rooms Katholiek. De dominee had er dan ook meerdere kerken bij te houden. Het werd me nooit gevraagd, maar het was vanzelfsprekend dat ik op zondagochtend mee ging naar de dienst. Die was dus niet iedere zondag in het dorp zelf maar de diensten werden ook in kerken in wat verder weg gelegen dorpen gegeven. Het eerste jaar dat ik er werkte vond ik het een langdradig gedoe. De dominee was ver in de zeventig en zijn preken duurden voor mijn gevoel akelig lang. Bovendien was mijn Frans toen nog gebrekkig, en de zijne razendsnel. Ik pikte er nauwelijks iets van op. Zijn gebit zat ook nog eens los wat ook voor het nodige oponthoud zorgde. Niet eens voor hilariteit. Men vond het kennelijk normaal. Mij werkte het op de lachspieren. Zijn vrouw was de organiste, met een knotje in het haar en een zwart jurkje aan zat zij achterin de kerk op het harmonium te spelen.
Het tweede jaar, inmiddels ook lid van een koor, werkte ik er een paar weken langer. Dat kon omdat ik eindexamen had gedaan en dus een paar weken langer vakantie had. De dominee was met zijn werk gestopt en er was een jonge levendige man voor in de plaats gekomen. De muziek in de kerk had ook hij aan zijn vrouw overgelaten. Zij had wat jongeren bij elkaar geroepen zo had zij een klein koortje gevormd. Op vrijdagavond werd er gerepeteerd, ook in de zomer. En uiteraard werd er van mijn verwacht dat ik mee zou zingen. Het was een klein koortje van pakweg twaalf jongeren. We repeteerden in de schuur, tussen de lege tomatenkistjes. De dochter des huizes begeleidde ons op een gitaar. Ondanks het kleine aantal koorleden was het leuk om zo te zingen.
In ons koor in Castricum hebben we een korte periode gehad waarin we een relatief klein aantal leden hadden, ongeveer vijfentachtig. Dat is voor een koor als het onze niet groot, maar de balans was goed en we konden evengoed interessante muziek uitvoeren. In die jaren werd ook regelmatig door het bestuur gevraagd naar nieuwe mensen uit te kijken. Enthousiast als ik was nam ik zo eens Christel mee. Een sopraan. Ze vond het geweldig om aan ‘die Schöpfung’ mee te repeteren. Dat zingen was voor haar een ontdekking. 
Christel studeerde in Amsterdam en kwam daar een aan het conservatorium studerende zweed tegen. Niet lang daarna ging ze met haar luit spelende Tommy mee naar Zweden. Jammer voor ons koor, maar ongelijk kon ik haar niet geven. Het zingen liet haar niet los en daar in de buurt van Ystad in het zuiden van Zweden zocht ze een vergelijkbare muzikale afleiding. Het werd een klein koortje van ook niet meer dan twaalf zangers. Dit koor repeteerde ook in een schuur maar dan tussen de hooibalen.  Er werd oude Scandinavische muziek gezongen. Tommy begeleidde hen op zijn luit. Ik heb geen flauw idee wat ik me erbij moet voorstellen maar het klinkt bij voorbaat al idyllisch.
In een klein koor zingen is absoluut niet erg, Als de stemmen in balans zijn kan je goed muziek maken en daar is dan spannend repertoire voor te vinden. Maar, zoals destijds in Castricum, zijn er dan wel werken die we zeker niet op de lessenaar kunnen zetten. Pieter-Jan Olthoff heeft om die reden het Requiem van Verdi eens afgeraden. Het koor zou dan, met het orkest wat er later bijkomt, te klein zijn geweest. Kijk, dat is nou wel jammer. Oude muziek, of werken met een kleinere orkestbezetting: prima. Maar met ons koor is het toch, vind ik, geweldig om bijvoorbeeld iets van Dvorák te doen, of Mendelssohn. Ook vraag ik me af, gezien het aantal bassen op dit moment, of de Mattheus-Passion nog voor ons weggelegd is. Bij de Mattheus, gaan we namelijk op in twee koren. Acht bassen, gedeeld door twee…
Het is maar goed dat we samen kunnen en mogen werken met de koren in Bergen en Schagen. Een paar dorpen verder.

zaterdag 20 augustus 2011

Associatie

Er zijn werken die me onherroepelijk doen denken aan een bepaalde periode of een gebeurtenis. Voor mijn gevoel was ik nog maar net lid van het koor, of ik moest een cursus volgen en die was, uiteraard, uitgerekend op de repetitie avond. Wel bijna een jaar! Dat beviel me destijds helemaal niet. Dat zingen vond ik zo leuk, zo interessant. En om dat nou aan de kant te moeten zetten was echt niet aanlokkelijk. De oplossing had ik al snel gevonden. Op maandagavond zou ik gewoon lekker mee gaan zingen in Bergen. Hetzelfde repertoire en ook nog eens bij dezelfde dirigent. Ik viel met mijn neus in de boter. In de roomboter! Bergen had zowel de ‘Johannes-passion’  als de ’Hohe Messe’ in studie genomen.  Beide werken hebben mij nooit meer losgelaten.   Met moeder en dochter Henstra reed ik iedere maandag naar Bergen. Het koor repeteerde destijds in het klooster van de zusters Ursulinen.  Op een avond vroeg ik tijdens de rit terug of er in het koor ook nog nonnen meezongen. Bijna de hele achterste rij alten bleek uit het klooster te komen. Ik had ze niet als kloosterlingen herkend. Zij droegen al lang geen herkenbare kleding meer maar liepen in gewone jurken; zuster Trees, zuster Gerárd, zuster Paulia, zuster Arnolda bij de alten en verderop ook nog wat sopranen.   Wél had ik ze al goed gehoord. Die stemmen klonken prachtig. Mooie volle stemmen. Nu nog,  als ik naar de ‘Hohe Messe’ luister moet ik bij ‘et incarnatus est’  heel even aan die zusters denken.

Een fiks aantal jaren later werd me een vraag gesteld waar maar één antwoord op mogelijk was. Een volmondig ja! Of ik mee wilde zingen met het schoolkoor van Pieter-Jan, in het concertgebouw. Er werd ook nog eens het ‘Requiem ‘ van Verdi uitgevoerd. Nee zeggen was voor mij onmogelijk.
De generale repetitie was in de sporthal van Schoorl. Op een bloedhete zaterdagmiddag. Prachtig weer voor het strand, de duinen of waar dan ook in de buitenlucht. Maar ik ging zingen. Graag zelfs! Er werd me een plaats gewezen en al snel kwamen er een paar tieners op me af. “wat kom jij hier doen?” “Zeker een idee van Pieter-Jan?”   Mijn opdracht was om te zingen en sowieso op tijd en goed in te zetten.  Ik was er niet tussen gezet om er de schoolmeester uit te hangen. Geen commentaar geven dus.  Tijdens de repetitie moest ik even wennen aan vooral de meisjes stemmen. Bij het ‘Dona eis’ zijn we gewend aan de volwassen stemmen van onze sopranen en alten. Hier klonken meisjes. Dat is wel even wat anders. Het klonk licht, zuiver en adembenemend mooi. De jongens voor mij wisten wel van wanten maar naast me hoorde ik weinig en achter me niets. Dat werd werken geblazen! Ergens tijdens die generale kon ik het niet laten iets tegen die tiener naast me te zeggen. “haal je die d niet?”  “natuurlijk wel!”  “nou zingen dan, toch zonde om het te laten liggen!!”  Het hielp ook nog. Hij zong en ging ook steeds meer meezingen.  Gelukkig werkte het aanstekelijk en hoorde ik steeds meer jongens zingen.
Zo warm als het al was. Ik zou het nog warmer krijgen.  Voor het concert zat ik in de kleedruimte van het concertgebouw tussen twee tieners wat te drinken en een broodje te eten. Mijn buurjongen uit het koor was daar ook even naast me komen zitten. Hij vroeg belangstellend waar ik normaal gesproken zong, wat we zongen en we raakten aardig in gesprek. Tot er op een  geven moment een gordijn werd weggeschoven. Daar kwamen wat meisjes aangelopen in prachtige zwarte jurken. Ik verslikte me bijna. Waar ik ook keek. Lange zwarte jurken. Met een split voor of achter. Hoog gesloten jurkjes, maar ook wat bloter. Met korte mouwen, spaghettibandjes en, geen bandjes.  “Dat vinden ze leuk hoor” zei de jongen naast me. “Hier gaan ze speciaal voor winkelen met hun moeder, of met elkaar”. Dat was duidelijk te zien. Heel duidelijk. Ze straalden erbij. Weer een gordijn opzij en ja hoor, de ene jurk nog mooier dan de ander. Weer die spaghettibandjes en splitten. Ik zuchtte even. “ik zing in Castricum. En daar willen de vrouwen broeken aan. Dat is modern”

In Schagen, dit jaar, viel mijn oog op een dame van het koor. Zij had een zwarte bloes aan, een zwarte maillot en een wel heel korte rokje. (het was eigenlijk alleen de zoom denk ik). Ze zag er mooi uit. Ik zou op straat zeker hebben omgekeken. Misschien nog wel een tweede keer ook. Toch lijkt me dat het voor koorleden stijlvoller is wanneer de kleding iets meer neigt naar een gala-avond. Als we allemaal achter het orkest staan, op het podium, ziet het publiek niet meer hoe lang of kort de jurken zijn. Maar we lopen wel door de concertzaal naar onze plaatsen. Men komt voor de muziek, uiteraard! Toch drukken onze teksten af in hele mooie tekstboekjes. “Want” zo zei onze voorzitter, “we kunnen ook een stencil uitreiken maar het moet wel wat cachet hebben. Men betaald toch een bepaald bedrag voor het concert”.

U raad het al waar ik aan denk wanneer het “Requiem” van Verdi klinkt; zingende tieners, spaghettibandjes, geen bandjes, splitten, geen splitten. En het was warm. Heel warm.


woensdag 17 augustus 2011

Meezingen


Ze reed in een opvallende Smart. Zwart en appeltjesgroen. Nu heb ik niets met auto’s. Het boeit me totaal niet in wat voor auto iemand rijdt. Maar ik keek om omdat ze de muziek behoorlijk hard had staan. Dat gebeurt wel vaker. Meestal muziek waar ik geen affiniteit mee heb. Maar nu hoorde ik Mozart. En wel de koningin van de nacht. Ze stond voor de stoplichten en een groep tieners keken sprakeloos naar de auto. Het licht sprong op groen, en weg was ze. Een blonde vrouw.
Zou ze hebben meegezongen?
Op zich vind ik stilte heerlijk. In het duin of de tuin, op het strand, wandelend, rennend of fietsend. Vorig  jaar  ben ik eens gaan hardlopen met een mp4. Het is bij een enkele keer gebleven. De stilte bevalt me buiten toch beter.  In de auto gaat wel vast en zeker muziek aan. Er gaat elke week een aantal cd’s mee de auto in. Op weg naar mijn werk, en weer terug.  Op het moment dat ik dit schrijf ligt de passieperiode net achter ons. De passionen en Stabat Maters gingen regelmatig mee de auto in naar Aalsmeer.  Zo nu en dan zong ik lekker mee. Radio4 gaat ook wel eens aan en dan laat ik me verrassen. Door mij onbekende muziek of mij onbekende musici.
Een presentator kondigde eens een werk aan wat volgens hem het mooiste was wat Schubert ooit had geschreven, nee wat er überhaupt ooit was geschreven. Eigenwijs als ik ben begon er al een protest bij me naar boven te komen: “wie bepaalt dat nou?”  Het was bovendien nog pianomuziek ook en ik als koor en orkest liefhebber had meteen wel andere suggesties.  De presentator moest ik later gelijk geven. Meteen na de eerste klanken was ik verkocht en gegrepen. Mond houden en luisteren. Niet meezingen. Dit had ik nog nooit gehoord. Dit was echt onbegrijpelijk mooi en ja, dit kon echt als het mooiste van Schubert worden genoemd. Oh, natuurlijk was een van de laatsten die dit werk hoorde. Dat kan, ik ben nu eenmaal een van de jongsten onder de koorzangers. Maar, kent u het nog niet, zoek het dan maar op: de fantasie in F mineur op. 103 voor vierhandig piano.  Niet gaan meezingen. Maar luisteren. Alleen maar luisteren.
Die zwart groene smart met die blonde vrouw ben ik later nog eens tegen gekomen. Bij dezelfde stoplichten. En, weer Mozart. Ze zong mee! Het Alleluja uit het Exultate Jubilate. Iedereen kon meeluisteren. Het was een jonge vrouw die lekker meedeed met de sopraan van de radio of cd. Twee oudere mannen stonden met open mond en leunend op hun rollator naar die auto te staren. Tja, harde muziek uit een auto hoor je wel vaker. Dit nooit. Groen licht, en weg was ze weer.
Ze zong mee. Zou ze ergens in een koor zingen? Studeert ze misschien ergens muziek? Ik vraag me zoiets nooit af als ik uit een auto Marianne Weber hoor of Frans Duits. Maar het ging hier om een jonge sopraan die meezong met Mozart. Daar hebben we in ons koor wel een plaatsje voor!